Behandelplan bij moslims?
2010-06-24;09:42 |Opgeslagen in:
interculturele
zorg
C. Vos schrijft in de Volkskrant van
24 juni een boeiend artikel over een aantal succesvolle pogingen om
de Nederlandse zorg af te stemmen op mensen met een andere
culturele achtergrond. Die pogingen kunnen maar succesvol zijn door
de verschillen met de Nederlandse cultuur te erkennen. Coördinator
Koch van Het Karmijn: ‚Het heeft geen zin om met een
behandelplan aan te komen bij moslims. In Nederland stellen we
stapsgewijs doelen en zoeken we naar praktische oplossingen, maar
in de islam geldt: insjallah, als God het wil.’ en Kaya,
een hulpverlener in Oss: ‚Mijn autochtone collega’s
zeggen al snel: regel is regel. Voor interculturele zorg moet je
flexibel zijn en je verdiepen in de achtergronden van de mensen die
je verzorgt.’
Zorginstellingen realiseren zich inmiddels dat standaardisering dit proces in de weg staat. Ze geven de ruimte aan enthousiaste initiatiefnemers als Koch van ‚s Heeren Loo of Büyükkaya van Dichterbij. Bovendien worden ze ook gestimuleerd door zorgverzekeraars die hun verzekerdenbestand in rap tempo zien veranderen. Met Stichting Pacemaker, een Amsterdams kenniscentrum voor interculturele zorg, werkt Agis aan een keurmerk voor ‚migrant friendly hospitals’. ‚Dan gaat het dus niet alleen om halal eten of een gebedsruimte, maar vooral om bejegening van patiënten’, zegt Flens. ‚Er is soms echt sprake van xenofoob ongemak in de spreekkamer van de dokter.’
Zorginstellingen realiseren zich inmiddels dat standaardisering dit proces in de weg staat. Ze geven de ruimte aan enthousiaste initiatiefnemers als Koch van ‚s Heeren Loo of Büyükkaya van Dichterbij. Bovendien worden ze ook gestimuleerd door zorgverzekeraars die hun verzekerdenbestand in rap tempo zien veranderen. Met Stichting Pacemaker, een Amsterdams kenniscentrum voor interculturele zorg, werkt Agis aan een keurmerk voor ‚migrant friendly hospitals’. ‚Dan gaat het dus niet alleen om halal eten of een gebedsruimte, maar vooral om bejegening van patiënten’, zegt Flens. ‚Er is soms echt sprake van xenofoob ongemak in de spreekkamer van de dokter.’
|
'Verkeerde' invloed
2009-10-26;12:44 |Opgeslagen in:
Onderzoek
Vandaag verscheen het rapport
Behandelrichtlijnen en geneesmiddelen- formularia vatbaar
voor beïnvloeding door farmaceutische industrie van de
Inspectie voor de Gezondheidszorg. Op haar website schrijft de
Inspectie: "Uit dit onderzoek van de IGZ blijkt dat het voorkomt
dat de farmaceutische industrie aan ziekenhuizen
geneesmiddelen in eerste instantie goedkoop aanbiedt om er voor te
zorgen dat het geneesmiddel 'in de markt' wordt gezet en blijft. Op
die manier is niet gegarandeerd dat patiënten het best passende
medicijn krijgen. Als patiënten later het ziekenhuis verlaten
bestaat de kans dat het medicijn automatisch ook door huisartsen
worden voorgeschreven."
Het rapport zegt over aanleiding en belang van het onderzoek: "Richtlijnen worden gebruikt door een grote groep beroepsbeoefenaren. Daardoor heeft beïnvloeding van de totstandkoming van richtlijnen een groot bereik. Het risico bestaat dat in plaats van het meest geschikte geneesmiddel, dat op grond van evidence in de richtlijn is opgenomen, het geneesmiddel wordt voorgeschreven dat onderwerp is van de sterkste beïnvloeding vanuit de farmaceutische industrie. Niet alleen wordt dan mogelijk een minder geschikt geneesmiddel opgenomen, ook brengt dit hogere kosten met zich mee als het gaat om een duurder geneesmiddel. Daarnaast heeft twijfel over de onder- bouwing van een richtlijn een potentieel negatieve invloed op het draagvlak voor gebruik van richtlijnen onder beroepsbeoefenaren en op het maatschappelijk vertrouwen in de gezondheidszorg."
Rapport
Het rapport zegt over aanleiding en belang van het onderzoek: "Richtlijnen worden gebruikt door een grote groep beroepsbeoefenaren. Daardoor heeft beïnvloeding van de totstandkoming van richtlijnen een groot bereik. Het risico bestaat dat in plaats van het meest geschikte geneesmiddel, dat op grond van evidence in de richtlijn is opgenomen, het geneesmiddel wordt voorgeschreven dat onderwerp is van de sterkste beïnvloeding vanuit de farmaceutische industrie. Niet alleen wordt dan mogelijk een minder geschikt geneesmiddel opgenomen, ook brengt dit hogere kosten met zich mee als het gaat om een duurder geneesmiddel. Daarnaast heeft twijfel over de onder- bouwing van een richtlijn een potentieel negatieve invloed op het draagvlak voor gebruik van richtlijnen onder beroepsbeoefenaren en op het maatschappelijk vertrouwen in de gezondheidszorg."
Rapport
Zorgverleners bedreigd...
2009-09-02;15:23 |Opgeslagen in:
Doorgedacht
Een voor velen moeilijk te begrijpen
fenomeen: ambulancepersoneel dat in noodsituaties hulp probeert te
geven en vervolgens wordt bedreigd en met regelmaat daadwerkelijk
mishandeld.
In de volkskrant van 2 september wijdt Evelien Tonkens haar column aan het verbaal en fysiek aanvallen van mensen die alleen maar komen helpen. Zij vermoedt dat de agressie te maken heeft met het feit dat we collectief in verwarring zijn over de plaats van gezag en autoriteit in onze democratische samenleving.
'Confuus over wanneer we ons assertief moeten opstellen, en wanneer juist bescheiden. Wanneer te onderhandelen, en wanneer zonder commentaar instructies te volgen. Wanneer ons breed te maken en erkenning en respect te eisen, en wanneer op te hoepelen.'
Gezag en autoriteit een plaats geven in de democratische verhoudingen is volgens Tonkens dan ook de opdracht voor het komende decennium.
Column Evelien Tonkens
In de volkskrant van 2 september wijdt Evelien Tonkens haar column aan het verbaal en fysiek aanvallen van mensen die alleen maar komen helpen. Zij vermoedt dat de agressie te maken heeft met het feit dat we collectief in verwarring zijn over de plaats van gezag en autoriteit in onze democratische samenleving.
'Confuus over wanneer we ons assertief moeten opstellen, en wanneer juist bescheiden. Wanneer te onderhandelen, en wanneer zonder commentaar instructies te volgen. Wanneer ons breed te maken en erkenning en respect te eisen, en wanneer op te hoepelen.'
Gezag en autoriteit een plaats geven in de democratische verhoudingen is volgens Tonkens dan ook de opdracht voor het komende decennium.
Column Evelien Tonkens
Het morele instinct; over de natuurlijke oorsprong van onze moraal
2009-08-31;11:03 |Opgeslagen in:
Nieuw boek
Verplaetse, J. (2008)
Het morele instinct; over de natuurlijke oorsprong van onze moraal;
Uitgeverij Nieuwezijds, ISBN: 9789057122811
„Wat is goed en wat is kwaad? Dit boek is een uitvoerig antwoord op die vraag. Het verklaart moreel en immoreel gedrag als uitdrukkingsvormen van vijf morele systemen. Vier ervan berusten op intuïties of emoties (de hechtingsmoraal, de geweldmoraal, de reinigingsmoraal, de samenwerkingsmoraal) en slechts één is rationeel (de beginselenmoraal). Deze moralen zetten mensen ertoe aan om dingen te doen of te laten, maar op diverse gronden en op verschillende manieren. Gemeenschappelijk aan alle moraal is dat die onze individuele vrijheid begrenst ten gunste van het hogere belang.
Verplaetse vertelt wat we weten over de oorsprong en de ontwikkeling van moraal. Hoe moraal veelal berust op biologische, automatische en emotionele processen. Neurowetenschappelijke bevindingen leveren overtuigend bewijs voor de diepe verankering van moraal in het menselijk lichaam. Zo heeft de ontdekking van spiegelneuronen duidelijk gemaakt dat empathie - volgens Schopenhauer de basis van alle moraal - een neurobiologisch gegeven is.
Dit boek gaat niet over de geest van de ethiek, maar over het vlees van de moraal. Het laat zien wat de mens, waar ook ter wereld en tot welke cultuur hij ook behoort, bezit aan vermogens om met het conflict tussen eigenbelang en hoger belang om te gaan. Het verschuift de focus van culturele diversiteit naar biologische gegevenheden.
Verplaetse pleit ten slotte voor een ethiek die niet alleen rekening houdt met morele beginselen, maar ook met de vier emotiemoralen. De ethiek van de toekomst zal een evenwicht moeten vinden tussen emotie en rede.” (flaptekst)

„Wat is goed en wat is kwaad? Dit boek is een uitvoerig antwoord op die vraag. Het verklaart moreel en immoreel gedrag als uitdrukkingsvormen van vijf morele systemen. Vier ervan berusten op intuïties of emoties (de hechtingsmoraal, de geweldmoraal, de reinigingsmoraal, de samenwerkingsmoraal) en slechts één is rationeel (de beginselenmoraal). Deze moralen zetten mensen ertoe aan om dingen te doen of te laten, maar op diverse gronden en op verschillende manieren. Gemeenschappelijk aan alle moraal is dat die onze individuele vrijheid begrenst ten gunste van het hogere belang.
Verplaetse vertelt wat we weten over de oorsprong en de ontwikkeling van moraal. Hoe moraal veelal berust op biologische, automatische en emotionele processen. Neurowetenschappelijke bevindingen leveren overtuigend bewijs voor de diepe verankering van moraal in het menselijk lichaam. Zo heeft de ontdekking van spiegelneuronen duidelijk gemaakt dat empathie - volgens Schopenhauer de basis van alle moraal - een neurobiologisch gegeven is.
Dit boek gaat niet over de geest van de ethiek, maar over het vlees van de moraal. Het laat zien wat de mens, waar ook ter wereld en tot welke cultuur hij ook behoort, bezit aan vermogens om met het conflict tussen eigenbelang en hoger belang om te gaan. Het verschuift de focus van culturele diversiteit naar biologische gegevenheden.
Verplaetse pleit ten slotte voor een ethiek die niet alleen rekening houdt met morele beginselen, maar ook met de vier emotiemoralen. De ethiek van de toekomst zal een evenwicht moeten vinden tussen emotie en rede.” (flaptekst)
Beslissen op de IC
2009-04-21;15:43 |Opgeslagen in:
Nieuws
In de Volkskrant van 17 april 2009
schreef E. de Visser een artikel onder de titel 'Familie
buitenspel bij sterven op IC'. Aanleiding was het
verschijnen van een richtlijn van de ethische commissie van de
Nederlandse Vereniging voor Intensive Care voor het stopzetten van
de behandeling op de IC. In het artikel staat onder meer: "Op
de intensive care heeft de familie van ernstig zieke patiënten geen
recht om mee te beslissen over het staken van de behandeling. Dat
besluit wordt genomen door artsen, als zij van oordeel zijn dat hun
handelen medisch zinloos is."
In een begeleidend artikel „het is de arts die moet beslissen” (E. de Visser) staat onder meer: "De moeilijkste vraag blijft in de richtlijn onbehandeld (...): de vraag wanneer een behandeling zinloos is."
Om de vraag te kunnen beantwoorden of het wel terecht is dat de familie geen stem heeft bij de beslissing, is het goed onderscheid te maken tussen een behandeling die kansloos en een die zinloos is.
Kansloos is een behandeling die medisch gezien niet kan leiden tot het gewenste doel. Een voorbeeld daarvan is het reanimeren van een patiënt met een fatale hersenbloeding. Van een arts kun je niet vragen iets te doen wat geen kans van slagen heeft. Omdat alleen artsen goed kunnen bepalen of een behandeling kansloos is of niet, staat de familie in die gevallen terecht 'buitenspel'.
Iets anders is het wanneer het gaat over de vraag of een behandeling zinvol is. Stel dat een patiënt met een dodelijke vorm van kanker een longontsteking krijgt. Behandeling van die longontsteking (met antibiotica) is doorgaans kansrijk. De vraag of behandeling bij deze patiënt met kanker zinvol is, is van diverse factoren afhankelijk en kan eigenlijk alleen goed door de patiënt zelf beantwoord worden. Hij kan besluiten zich niet te laten behandelen, met mogelijk de (doorgaans milde) dood als gevolg. Hij kan er ook voor kiezen zich wél te laten behandelen om zo nog wat tijd te winnen om dingen te doen die voor hem belangrijk zijn. Familieleden kunnen hier zeker helpen tot een goede beslissing te komen, met name wanneer de patiënt daar zelf minder toe in staat is. De arts heeft hier een bescheiden rol. Hij kan wellicht verstandige dingen zeggen over het al dan niet zinvol zijn van de behandeling, maar hij is hierin zeker niet de eerste en enige om beslissingen te nemen. Wel is het zo dat hij ook in deze gevallen de eindverantwoordelijkheid draagt voor de besluiten die genomen worden.
In een begeleidend artikel „het is de arts die moet beslissen” (E. de Visser) staat onder meer: "De moeilijkste vraag blijft in de richtlijn onbehandeld (...): de vraag wanneer een behandeling zinloos is."
Om de vraag te kunnen beantwoorden of het wel terecht is dat de familie geen stem heeft bij de beslissing, is het goed onderscheid te maken tussen een behandeling die kansloos en een die zinloos is.
Kansloos is een behandeling die medisch gezien niet kan leiden tot het gewenste doel. Een voorbeeld daarvan is het reanimeren van een patiënt met een fatale hersenbloeding. Van een arts kun je niet vragen iets te doen wat geen kans van slagen heeft. Omdat alleen artsen goed kunnen bepalen of een behandeling kansloos is of niet, staat de familie in die gevallen terecht 'buitenspel'.
Iets anders is het wanneer het gaat over de vraag of een behandeling zinvol is. Stel dat een patiënt met een dodelijke vorm van kanker een longontsteking krijgt. Behandeling van die longontsteking (met antibiotica) is doorgaans kansrijk. De vraag of behandeling bij deze patiënt met kanker zinvol is, is van diverse factoren afhankelijk en kan eigenlijk alleen goed door de patiënt zelf beantwoord worden. Hij kan besluiten zich niet te laten behandelen, met mogelijk de (doorgaans milde) dood als gevolg. Hij kan er ook voor kiezen zich wél te laten behandelen om zo nog wat tijd te winnen om dingen te doen die voor hem belangrijk zijn. Familieleden kunnen hier zeker helpen tot een goede beslissing te komen, met name wanneer de patiënt daar zelf minder toe in staat is. De arts heeft hier een bescheiden rol. Hij kan wellicht verstandige dingen zeggen over het al dan niet zinvol zijn van de behandeling, maar hij is hierin zeker niet de eerste en enige om beslissingen te nemen. Wel is het zo dat hij ook in deze gevallen de eindverantwoordelijkheid draagt voor de besluiten die genomen worden.